Het is koud, mijn vingers lijken bevroren, toch vriest het nog niet echt. Als ik mijn huis binnen kom, is het eerste wat ik denk: hè, lekker warm. Op datzelfde moment denk ik aan het bericht dat ik in de auto op de radio hoorde: dat er weer een elektriciteitscentrale in Oekraïne gebombardeerd is, net nadat hij gerepareerd was na het vorige bombardement. Door mijn hoofd schieten gedachten: ‘meer dan 15 graden vriest het daar, en dan geen plek hebben waar het warm is.
Misschien ook geen mogelijkheid om iets warms te eten of te drinken.
Hoe doen die mensen dat?
Hoe zou ik dat doen?’
Even later komt er een vraag bij: ‘hoe kan ik zomaar doorleven met de zekerheid dat ik vanuit de kou buiten naar de warmte binnen kan, dat ik mijn eten en drinken kan verwarmen, dat ik, als ik dat zou willen, in een voorverwarmd bed kan slapen?’
Aan oorlog kan je als individu niets doen, wel iets aan de omstandigheden van de mensen die onder oorlog lijden.
Door te geven, geld of goederen.

Ik merk dat het woordje ‘geven’ me bezighoudt.
Of beter gezegd, de intentie waarmee je geeft. Je kunt achteloos geven, uit gewoonte, uit schuld(gevoel) óf betrokken.
Als ik nadenk over dat laatste, over betrokken geven, dan verschijnt er een ander woord op het toneel: delen.
Ik blijf nog even bij mijn gedachten over het oorlogsleed in Oekraïne. Als ik het echt tot me door laat dringen wat de mensen daar niet hebben, en wat ik wel heb, dan betekent geven dat ik deel van mijn overvloed. Dan betekent mijn betrokkenheid dat ik niet geef, maar deel. Daarmee kan hulp bieden in een ander, gezonder perspectief komen te staan. Gezonder, omdat het puur toeval is dat ik hier ben, en de ander daar.
Het is geluk, en niet mijn eigen verdienste. Vanuit dat geluk kán ik delen. Óf ik geef, is aan mij, zeker, maar ik voel ook een moreel appèl van mijn bevoorrechte positie.
Een moreel appèl dat voortkomt uit mijn geweten (in de zin van: het kan niet zo zijn dat ik het zo goed heb en een ander helemaal niet) en mijn opvoeding. Zeker ook de religieuze, maar die hoef ik feitelijk niet met naam en toenaam te noemen, want in elke religie zit deze kern: voed en kleed de behoeftigen.
Met andere woorden: deel van wat jij hebt. Niet om daarna jezelf op de borst te kloppen, maar om je geluk te vermeerderen. Zoals Albert Schweitzer dat ooit zei: geluk is het enige wat zich verdubbelt als men het deelt.
Met een hartelijke groet,
Helene Westerik
